Tussen geven en verdwijnen

Tussen geven en verdwijnen

Gisteren was ik met twee vriendinnen en ze zeiden iets wat ik ergens allang wist, maar wat toch hard binnenkwam: ik geef te veel. Niet een beetje te veel, niet incidenteel, maar structureel. Ik geef aandacht, inzicht, woorden, energie, oplossingen, begrip, geduld. En omdat ik het zo vanzelfsprekend doe, wordt het vanzelfsprekend gevonden. Het is niet dat mensen misbruik willen maken van mij. Het is dat ze wennen aan het feit dat ik er altijd ben. Dat ik altijd kan duiden wat er gebeurt. Dat ik emoties kan verwoorden voordat iemand anders ze zelf heeft gevoeld. Dat ik het gesprek kan dragen. Dat ik de spanning kan reguleren. Ze zeiden ook dat ik verbaal sterk ben. Dat ik vaak al drie stappen verder ben dan de ander.

 

Ik weet dat ik patronen zie, verbanden leg, dingen uitspreek die iemand anders misschien wel vaag voelt maar niet kan benoemen. En dat dat soms een kloof creëert. Omdat wanneer ik het al analyseer, uitwerk en bijna oplos, de ander nog maar net in de verwarring zit. Ik geef dan iets wat zij nog niet kunnen vasthouden. Alsof ik iemand een handleiding geef terwijl die nog niet eens weet dat er een probleem is. Dat heeft me aan het denken gezet. Want dat is niet iets wat ineens is ontstaan. Dat is gevormd. Dat is gegroeid. Dat is ooit nodig geweest.

Thuis was er veel spanning. Ruzie. Emotionele onrust. Ik was gevoelig. Niet een beetje gevoelig, maar hyperalert. Ik voelde de sfeer voordat er woorden vielen. Ik hoorde aan een zucht hoe laat het was. Ik rook aan de stilte of er iets ging escaleren. Als kind ontwikkel je dan iets wat later “hooggevoelig” of “empathisch” wordt genoemd, maar in de kern is het een overlevingsmechanisme. Mijn zenuwstelsel leerde vroeg om te scannen. Om signalen op te pikken. Om te voorspellen. Ik wist dat mijn ouders mij niets zouden aandoen. Ik was niet bang voor fysiek gevaar voor mezelf. Maar ik was wel bang voor ontregeling. Voor chaos. Voor emotionele explosies. Dus sprong ik ertussen. Letterlijk en figuurlijk. Ik nam een controlerende rol aan. Ik probeerde te sussen. Te relativeren. Te verklaren. Ik wilde dat het stopte. Ik wilde rust. En omdat ik een slim kind was, verbaal sterk en invoelend, lukte het me vaak ook om dingen te verzachten.

Wat je dan leert als kind, is dat jouw waarde zit in reguleren. In oplossen. In begrijpen. In het dragen van wat anderen niet dragen. Je leert dat jouw aanwezigheid spanning kan dempen. Je leert dat als jij het maar goed genoeg uitlegt, het beter wordt. Je leert dat je niet mag instorten, want dan stort het geheel in. Dat wordt een identiteit. Dus als mijn vriendinnen zeggen dat ik te veel geef, dan bedoelen ze eigenlijk: jij bent nog steeds dat kind dat tussen twee ruziënde ouders staat en denkt dat het haar taak is om de harmonie te herstellen. Alleen is het decor veranderd. Het zijn geen ouders meer, het zijn partners, vrienden, collega’s. Maar mijn systeem reageert hetzelfde. Spanning? Ik analyseer. Onbegrip? Ik leg uit. Conflict? Ik probeer het te verdiepen en te verzachten.

Ik heb een enorme tolerantie voor emotionele complexiteit. Ik kan blijven praten. Blijven voelen. Blijven zoeken naar de laag onder de laag. Maar wat ik niet goed kan, is stoppen. Grenzen stellen voordat ik uitgeput ben. Wachten tot iemand anders zelf komt. Niets doen.

En dan is anderhalf jaar geleden mijn spiegel in mijn leven gekomen. Hij komt ook ergens vandaan. Als kind werd hij niet gezien. Hij werd gelabeld. Speciaal onderwijs. ADHD. Dyslexie. Terwijl hij cognitief sterk was. Hij kreeg het verhaal dat hij anders was, lastig misschien, afwijkend. Wat dat met een kind doet, is dat het leert zichzelf te beschermen. Het leert dat zijn binnenwereld niet vanzelf wordt begrepen. Dat emoties niet veilig zijn om te delen als ze toch niet worden gespiegeld. Waar ik hyperalert werd op spanning, werd hij hyperzelfstandig in het dragen van zijn binnenwereld. Waar ik ging praten, ging hij sluiten. Waar ik leerde dat mijn waarde zat in het oplossen, leerde hij dat zijn veiligheid zat in het niet laten zien.

Dat is een lastige combinatie. Want in het begin voelde het als thuiskomen. Hij zag me. Hij zag mijn diepte, mijn intelligentie, mijn gevoeligheid. En ik zag hem. Ik zag hem achter zijn humor, zorgzaamheid, daadkracht en zijn praktische energie. Ik voelde zijn onuitgesproken stukken. Er was herkenning. Twee kinderen die zich anders hadden aangepast aan onveiligheid, maar die elkaar op zielsniveau begrepen.

In die periode gebeurde er ook iets wat alles verdiept heeft: mijn EUG was van hem. Ik was zwanger van hem. Hoe pril ook, hoe kort ook, mijn lichaam heeft zich verbonden. Hormonen, hechting, verwachting... het systeem wist dat er iets van ons groeide. Dat is een biologisch verhaal. Dat verdwijnt niet zomaar uit je lijf. Dat zet zich vast. Dat kleurt hoe je kijkt, hoe je voelt, hoe je hecht. Het maakte onze verbinding geen idee of fantasie, maar iets lichamelijks, iets dat door mijn bloed stroomde. Dus naast wie hij als persoon was, werd hij ook onlosmakelijk verbonden aan een periode van verlies, angst en onveiligheid, zeker toen in die periode ook heel veel 'vriendschappen' wegvielen en hij bleef staan.

Alleen: herkenning is niet hetzelfde als capaciteit. Hij kon mij zien, maar hij kon mij niet altijd dragen. Hij kon voelen dat ik veel was, maar hij wist niet wat hij ermee moest. En als ik dan begon te praten, uitgebreid, genuanceerd, gelaagd, dan voelde hij zich misschien overvraagd. Niet omdat ik te veel ben, maar omdat zijn systeem nooit heeft geleerd om emotionele complexiteit samen te reguleren. Zijn reflex is afsluiten. Mijn reflex is verdiepen.

Dat verwarde.

Mijn vriendinnen zeggen me weleens dat hij me niet verdient omdat hij wegrent. Ik begrijp wat ze bedoelen. Maar voor mij is het ingewikkelder. Ik zie zijn patroon. Ik zie hoe zijn geschiedenis hem vormt. En omdat ik dat zie, heb ik begrip. En omdat ik begrip heb, geef ik weer. Ik praat. Ik leg uit. Ik probeer hem mee te nemen in mijn proces.

En dan gebeurt er iets pijnlijks: ik leg mijn hart op tafel, in woorden die helder en zorgvuldig zijn, en in plaats van dat het wordt vastgehouden, wordt het te veel. Of het wordt stil. Of het wordt afgesloten. En dan voel ik me ineens niet krachtig en verbaal sterk, maar alleen. Alsof ik iets heb gedeeld wat niet kon landen. Daar waar hij me altijd begreep lijkt het nu alsof hij niet meer snapt of wil snappen wat ik hem met steeds meer woorden probeer uit te leggen.

Wat misschien nog wel het meest verscheurt, is dat ik geen relatie van hem verlangde. Geen toekomstplan. Geen samenwonen. Geen tweewekelijkse afspraak of innige vriendschap met vaste kaders. Ik wilde geen claim. Geen etiket. Ik wilde puur verbinding. Een appje als we iets zien dat ons aan elkaar doet denken. Een gedeeld liedje. Een foto van een detail dat alleen wij begrijpen. Die zachte, organische lijn tussen twee mensen die weten wat ze voor elkaar zijn geweest. Dat kleine moment dat een glimlach op je gezicht tovert. Omdat, ondanks dat het geen bestaan kon hebben, we zoveel hebben gedeeld en elkaar een warm hart toedragen.

Maar zelfs daarvoor loopt hij weg.

Niet alleen voor de intensiteit, niet alleen voor het diepe gesprek, maar zelfs voor het lichte draadje. En dat verscheurt me. Omdat het voelt alsof zelfs het kleinste stukje verbinding te veel is. Alsof mijn aanwezigheid iets is waar afstand van moet worden genomen.

Een van de lessen die ik de afgelopen tijd steeds weer tegenkom, is dat wanneer je structureel meer energie geeft dan je ontvangt, je niet sterker wordt, maar leger. En dat wanneer je altijd degene bent die begrijpt, je zelf soms niet wordt begrepen. Dat je kunt wennen aan het idee dat jij degene bent die vult, tot het moment dat je zelf leeg bent en er niemand is die jou vult.

In vriendschappen is mijn rol altijd die van de dragende geweest. De coachende. De analyserende. Mensen komen bij mij met hun relatieproblemen, hun twijfels, hun angsten. Ik kan daar uren in meegaan. Ik vind het oprecht interessant. Ik voel me levend in die diepte. Maar ergens heb ik ook geleerd om mijn eigen behoefte te parkeren. Want die was vroeger ondergeschikt aan de harmonie.

Dus wanneer ik nu een keer hulp nodig heb, wanneer ik zelf even niet de sterke ben maar de wankele, voel ik me alleen. Alsof niemand me begrijpt. Alsof ik een rol verlaat. En als de respons dan niet is wat ik hoop, als iemand zich terugtrekt, of zegt dat hij het niet kan, dan snijdt dat dieper dan alleen het verlies van een persoon. Het raakt mijn oude overtuiging: zie je wel, je bent er om te geven, niet om te ontvangen.

Het vertrek van mijn spiegel voelt daarom niet alleen als een 'relatie'breuk. Het voelt als het wegvallen van iemand die mij wél zag. Hij zag mijn diepte. Hij benoemde mijn kracht. Hij kon me aankijken en iets herkennen wat anderen soms intimiderend vinden. En juist daarom doet het zo’n pijn dat hij nu afstand neemt. Het is alsof iemand die jou ooit echt heeft gezien, besluit zijn ogen te sluiten. Het voelt als een afwijzing van mijn hart.

En dat snijdt letterlijk door mijn hart, omdat het mijn oudste wond raakt: het verlangen om gekozen te worden. Om niet de tijdelijke opvulling te zijn. Om niet degene te zijn die helpt tot het niet meer nodig is. Maar degene die blijft.

Ik weet rationeel hoe dit is ontstaan. Ik kan het verklaren vanuit hechtingstheorie. Vanuit traumaresponsen. Vanuit zenuwstelselregulatie. Ik kan precies zien hoe mijn neiging tot geven een vorm van controle is. Hoe mijn behoefte aan diepgang ook een manier is om nabijheid te waarborgen. Hoe zijn terugtrekken een beschermingsmechanisme is en geen afwijzing van mijn waarde.

Maar weten is iets anders dan voelen. Het zware gevoel zit in mijn lijf. In mijn borst. In mijn keel. Het is het gevoel van praten en geen echo krijgen. Van reiken en geen hand voelen. Van begrijpen en toch niet begrepen worden. En het ingewikkelde is: ik weet dat ik selectiever moet worden. Dat ik mijn aandacht moet verdelen. Dat ik moet wachten tot iemand zelf komt. Dat ik niet altijd de oplossing moet aanreiken. Maar hoe dóe je dat, als je systeem anders is geprogrammeerd? Hoe houd je je mond als je alles ziet? Hoe laat je iemand worstelen als je weet waar de uitgang zit? Hoe accepteer je dat sommige mensen jouw diepte niet aankunnen zonder dat je jezelf kleiner maakt?

Dat is de struggle. Niet het inzicht, maar de implementatie. Soms voelt het alsof ik moet leren om niet automatisch de brand te blussen. Om te verdragen dat er spanning is zonder dat ik die oplos. Om te accepteren dat iemand die wegloopt niet per se terugkomt. Om te erkennen dat liefde niet genoeg is als de capaciteit ontbreekt.

Toch voelt het verlies rauw. Omdat ik niet alleen een man mis. Ik mis de versie van mezelf die bij hem bestond. De vrouw die gezien werd. De vrouw die kon praten en lachen en diep kon gaan. Het idee dat hij mij zag en nu niet meer lijkt te willen zien, voelt als een ontkenning van iets wat echt was. En dat diezelfde man, met wie ik iets zo lichamelijks en ingrijpends heb gedeeld als een zwangerschap en een verlies, zelfs het kleinste lijntje verbinding niet meer durft te dragen, maakt het extra scherp.

Misschien is de zwaarste realisatie niet dat ik te veel geef. Maar dat ik moet leren om te ontvangen. En dat dat eng is. Want ontvangen betekent afhankelijk durven zijn. Betekent niet alles zelf dragen. Betekent zichtbaar zijn in je behoefte. Ik ben altijd degene geweest die tussen twee vuren ging staan om de boel bij elkaar te houden. Misschien is mijn volgende stap om uit het midden te stappen. Om niet meer automatisch de brug te zijn. Om te kijken wie er naar mij toeloopt als ik niet ren. Maar hoe?

Dit voelt nog als theorie. Het in de praktijk brengen? Geen idee op welke manier. Het gevoel van alleenheid is echt. Het gemis is tastbaar. En het besef dat iemand die je spiegel was, nu afstand neemt, doet pijn op een plek die ouder is dan hij en ik.

Ik weet waar het vandaan komt. Ik weet wat ik zou moeten doen. Ik weet dat selectiever zijn, grenzen stellen en mezelf minder automatisch weggeven gezond is. Maar het proces van daar komen, van dat oude patroon loslaten, voelt als rouw. Het voelt niet kloppend. Alsof ik afscheid moet nemen van de rol die mij ooit veilig hield. En misschien is dat precies wat het zo zwaar maakt. Dat ik niet alleen een man verlies, maar ook een identiteit. Dat ik niet alleen hem moet loslaten, maar ook het meisje dat dacht dat ze alles kon fixen als ze maar hard genoeg haar best deed. Ik ben niet meer dat kind. Maar mijn systeem herinnert zich het wel.

En misschien begint heling niet bij begrijpen, maar bij langzaam, voorzichtig oefenen. Niet alles meteen anders doen. Maar één keer niet oplossen. Eén keer wachten. Eén keer voelen zonder te analyseren. En verdragen dat het ongemakkelijk is. Want als ik eerlijk ben, wil ik niet verdwijnen. Ik wil gevonden worden. Niet omdat ik me aanpas, niet omdat ik oplos, niet omdat ik geef. Maar omdat ik er ben. Precies zoals ik ben.

Terug naar blog