Mijn dagen schommelen. Er zijn dagen waarop ik denk: zie je wel, ik kom er langzaam. Waarop ik bezig ben, plannen maak, lach, werk, muziek aanzet en mezelf weer een beetje herken. Maar zelfs op die dagen is hij er. Niet ergens vaag op de achtergrond, maar echt. Ik denk iedere dag meerdere keren bewust aan hem. Soms omdat iets me aan hem doet denken, soms volledig uit het niets. En dan moet ik mezelf soms echt terughalen naar waar ik mee bezig was, omdat ik anders in gedachten alweer helemaal bij hem zit.
Ik zoek afleiding. Ik vul mijn dagen. Ik werk, schrijf, denk vooruit en probeer mijn aandacht ergens anders op te richten. En soms moet ik mezelf bijna verbieden om onze gesprekken terug te lezen of naar onze foto's te kijken. Omdat ik weet wat er gebeurt als ik dat doe. Dan ben ik niet alleen even terug bij een herinnering, dan voel ik hem weer dichtbij. Dan lees ik zijn woorden in zijn stem, zie ik zijn blik weer voor me en voel ik opnieuw hoeveel ik mis. Dus probeer ik het te remmen. Niet omdat ik hem wil vergeten, maar omdat ik ook gewoon mijn dag door moet.
En toch doe ik het soms wel.
Ik lees iets terug. Ik kijk toch naar een foto. Ik blijf net iets te lang hangen bij iets waarvan ik vooraf al wist dat het pijn zou doen. Misschien omdat helemaal niet kijken óók niet klopt. Alsof ik door mezelf te verbieden aan hem te denken moet doen alsof dat deel van mijn leven niet heeft bestaan. Alsof helen betekent dat ik alles moet opruimen, wissen en achter slot en grendel moet zetten. Dat voelt net zo onnatuurlijk als er voortdurend in blijven hangen.
Soms is er nauwelijks iets nodig om hem weer dichtbij te voelen. Een liedje bijvoorbeeld. Niet eens per se een nummer dat bij ons hoorde. Soms juist muziek uit onze jeugd. Een nummer waarvan ik ineens besef dat hij dat óók kent zoals ik het ken. Niet als muziek die je later hebt ontdekt, maar als onderdeel van precies dezelfde tijd waarin we opgroeiden.
We schelen maar een paar maanden. Dat klinkt misschien als een onbenullig detail, maar voor mij zat zelfs daarin herkenning. Bij mensen die een paar jaar ouder of jonger zijn, merk je soms nét andere referenties. Andere muziek, televisieprogramma’s, trends, gebeurtenissen en fases. Bij hem was dat bijna nooit zo. We liepen daarin opvallend gelijk. En eigenlijk was dat tekenend voor onze hele verbinding. Ik vond bij hem herkenning op bijna ieder vlak waarop ik die bij een ander mens kan zoeken. In humor. In denken. In hoe snel een hoofd kan gaan. In nieuwsgierigheid, ambitie en koppigheid. In onze soms wat afwijkende manier om naar de wereld te kijken. In het analyseren van dingen waar een ander allang over uitgepraat zou zijn. Zelfs in ADHD.
En toch gebeurde er bij hem iets wat misschien juist haaks daarop lijkt te staan: mijn hoofd werd rustig. Mijn hoofd kan twintig afslagen tegelijk nemen en ondertussen alweer drie straten verder zijn, maar bij hem werd ik de rustigste versie van mezelf. Niet omdat er niets gebeurde, maar juist omdat er zoveel herkenning was. Ik hoefde minder uit te leggen, minder te vertalen, minder vooruit te denken. Er leek iets in mij te zeggen: hier hoef je even nergens naartoe.
Dat gevoel bestond al los van alles wat later gebeurde. Dat vind ik belangrijk om te zeggen, juist omdat onze band uiteindelijk ook verbonden raakte aan een van de heftigste periodes van mijn leven. Het zou makkelijk zijn om achteraf te denken dat zijn betekenis daardoor groter is geworden dan hij eigenlijk was. Alsof mijn hoofd hem heeft gekoppeld aan trauma, verlies en kwetsbaarheid en hem daardoor op een voetstuk heeft gezet. Maar zo voelt het niet. De herkenning, aantrekkingskracht, rust en mentale klik waren er al. Hij kwam niet pas diep binnen doordat mijn leven later instortte. Hij wás al diep binnengekomen.
En daarna kwam daar nog iets bij: mijn buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Die zwangerschap was met hem. Daardoor werd iemand met wie ik al een uitzonderlijke verbinding voelde ook onderdeel van een gebeurtenis die mijn leven letterlijk in een vóór en een na verdeelde. Ik verloor een zwangerschap en ik verloor bijna mezelf. Mijn lichaam veranderde, mijn gevoel van veiligheid veranderde en mijn kijk op mijn leven veranderde. Hij is met die gebeurtenis verbonden, of ik dat nu wil of niet.
Maar het is dus niet óf het één óf het ander. Het is én. Ik mis hem niet omdat hij toevallig aanwezig was in een traumatische periode. En ik idealiseer onze verbinding niet omdat ik hem aan die periode heb gekoppeld. Ik mis hem omdat ik hem als mens uitzonderlijk vond. Omdat ik mij bij hem op een manier herkende die ik nog nooit eerder had ervaren. Omdat er iets tussen ons bestond dat voor mij los van iedere crisis al waarde had. En tegelijkertijd heeft alles wat daarna gebeurde onze geschiedenis nóg dieper in mij verankerd.
Misschien maakt juist die combinatie het zo ingewikkeld. Er was de man zelf. En er was alles wat wij samen en rondom elkaar meemaakten. Er was de klik. En er was de timing. Er was het thuiskomen. En er was het verlies. Die dingen kun je niet netjes uit elkaar trekken.
Ik denk ook dat daarom de precieze rol die hij in mijn leven zou hebben uiteindelijk minder belangrijk voor me was dan zijn aanwezigheid zelf. Natuurlijk heb ik gevoeld hoe goed wij voor mij als geliefden hadden kunnen werken. Ik ga daar ook niet omheen draaien. Maar het bijzondere is dat ik hem niet alleen in die rol wilde. Hij had voor mij net zo goed als vriend kunnen blijven bestaan. Als iemand met wie ik af en toe iets dronk. Als kennis die ik zo nu en dan sprak. Als mens die ergens in mijn leven bleef. Het had voor mij op verschillende fronten kunnen werken. Als kennis, als vriend, als geliefde. De vorm was uiteindelijk minder belangrijk dan hijzelf.
Dat is misschien ook waarom het verlies zo groot voelt. Ik rouw niet alleen om een mogelijke relatie die er niet kwam of niet kon blijven bestaan. Ik rouw om het verdwijnen van een mens uit mijn leven. Iemand bij wie ik het gevoel had dat ik op bijna alle lagen aansluiting vond. En juist dát doet me soms zoveel verdriet: dat iemand die zo levend in mij aanwezig is, in mijn echte dagelijks leven volledig afwezig kan zijn.
Ik ben normaal gesproken best goed in loslaten. Niet omdat dingen me niets doen, maar omdat ik gewend ben dat tijd zijn werk doet. Relaties eindigen, vriendschappen verdwijnen, mensen raken uit beeld. Eerst doet dat pijn en daarna ontstaat er afstand. Herinneringen worden zachter. Je denkt minder vaak aan iemand. Uiteindelijk wordt iets wat ooit heel groot was onderdeel van vroeger. Dat proces ken ik.
Daarom is dit zo nieuw voor me.
Want ik wacht eigenlijk nog steeds op dat slijten, en het gebeurt niet op de manier waarop ik het gewend ben. Natuurlijk verandert het. Ik functioneer, ik groei, ik maak plannen en mijn leven staat absoluut niet stil. Er zijn zelfs hele goede dagen. Maar hij verdwijnt niet langzaam uit mijn systeem zoals anderen dat uiteindelijk wel deden. Ik hoef niet eens op een trigger te wachten. Ik denk uit mezelf aan hem. Aan iets wat hij zei. Aan hoe hij keek. Aan een grap. Aan iets wat ik hem zou willen vertellen. Aan iets waarvan ik weet dat hij het zou begrijpen. Aan hoe het voelde als hij dichtbij was. Aan hoe ontzettend vanzelfsprekend zijn aanwezigheid voor mij kon voelen.
En dan is er dat rare spanningsveld. Ik weet dat ik die gedachten niet eindeloos moet voeden, omdat ik mezelf daar alleen maar meer pijn mee doe. Dus soms dwing ik mezelf om iets anders te gaan doen. Telefoon weg. Geen gesprekken teruglezen. Niet naar foto's kijken. Geen oud filmpje openen. Niet expres dat ene liedje aanzetten. Gewoon even stoppen.
Maar ergens doet dat óók pijn.
Omdat ik dan het gevoel heb dat ik mezelf moet beschermen tegen iets wat tegelijkertijd heel dierbaar voor me is.
Onze gesprekken zijn niet alleen iets waar ik verdriet van krijg. Ze zijn ook echt gebeurd. Onze foto's zijn niet alleen triggers. Het zijn herinneringen aan momenten waarop ik gelukkig was. Aan iemand die een enorm belangrijk onderdeel van mijn leven is geweest. Hem volledig wissen zou voor mij voelen alsof ik ook een stuk van mezelf moet wissen.
Dus soms kijk ik toch.
En soms huil ik daarna.
Ik mis hem iedere dag. Niet iedere dag op dezelfde manier en ook niet iedere dag zo hevig dat het alles overneemt. Maar wel iedere dag. Meerdere keren. Soms een paar seconden. Soms veel langer. Soms kan ik de gedachte laten komen en weer laten gaan. En soms blijft hij hangen en voelt mijn borst letterlijk zwaar van het gemis.
Dat is iets waar ik lang tegen gevochten heb, omdat ik dacht dat verwerken betekende dat dit uiteindelijk moest stoppen. Dat ik op een dag nauwelijks meer aan hem zou denken. Dat de foto's gewoon foto's zouden worden. Dat oude gesprekken hun lading zouden verliezen. Dat een liedje niet meer ineens mijn hele stemming zou kunnen veranderen.
Misschien gebeurt een deel daarvan ooit.
Maar misschien bestaan er ook verliezen waarbij loslaten eigenlijk het verkeerde woord is.
Want loslaten suggereert dat je iets moet wegdoen. Dat succes betekent dat iemand uiteindelijk niet meer zo belangrijk voelt. Dat je een herinnering steeds verder naar achteren schuift totdat hij nauwelijks nog iets met je doet.
Maar misschien is mijn opdracht hier anders. Misschien moet ik niet leren hem los te laten. Misschien moet ik leren hem een plek te geven.
Dat klinkt bijna hetzelfde, maar voor mij voelt het totaal anders. Een plek geven betekent dat ik mag erkennen dat hij belangrijk voor me was en nog steeds is, zonder dat mijn leven daarom stil hoeft te staan. Dat ik verder kan bewegen zonder iedere keer te eisen dat mijn hart hetzelfde tempo volgt. Dat ik onze foto's niet ritueel hoef te verwijderen om te bewijzen dat ik verder ben. Dat ik onze gesprekken niet hoef uit te wissen alsof de woorden nooit zijn gezegd. Dat een mens onderdeel van je geschiedenis kan blijven zonder nog onderdeel van je dagelijks leven te zijn.
Dat vind ik moeilijker dan loslaten, omdat ik dit nog nooit eerder heb hoeven leren.
Het voelt voor mij oprecht als het grootste verlies dat ik ooit heb meegemaakt. Ik weet dat dat voor buitenstaanders misschien vreemd klinkt. Misschien zou het voor hemzelf zelfs vreemd klinken. We hebben immers niet jarenlang een traditioneel leven samen opgebouwd. Geen gezamenlijk huis, geen huwelijk, geen keurige relatiegeschiedenis die voor de buitenwereld verklaart waarom iets zo diep kan snijden. Maar betekenis laat zich niet in jaren meten.
Je hart houdt geen administratie bij.
Sommige mensen ken je twintig jaar zonder dat ze ooit op de diepste laag binnenkomen. En soms ontmoet je iemand bij wie dat vrijwel onmiddellijk gebeurt. Iemand bij wie je iets herkent wat je nooit eerder zo volledig bij iemand anders hebt gevonden.
Dat was hij voor mij.
En het is belangrijk dat ik mezelf daarin serieus blijf nemen. Niet door er een sprookje van te maken en ook niet door te doen alsof alles perfect was. Dat was het niet. De omstandigheden waren ingewikkeld, onze keuzes waren ingewikkeld en er waren genoeg dingen die pijn hebben gedaan. Maar dat maakt de verbinding zelf niet minder echt.
Juist daarin probeer ik tegenwoordig minder zwart-wit te denken. Ik mag erkennen dat hij levensveranderend is geweest. Ik hoef onze geschiedenis niet mooier te maken dan zij was om te weten dat ik iets uitzonderlijks met hem heb gevoeld. En ik hoef de invloed van mijn EUG niet weg te poetsen om duidelijk te maken dat mijn gevoel al lang daarvoor bestond.
Het is allemaal waar.
Ik hield van hem. Ik voel nog steeds liefde voor hem. Ik voelde mij bij hem thuis. Mijn leven raakte daarna op een ongekende manier met het zijne verweven. Ik verloor veel meer dan alleen hem. En uiteindelijk verloor ik ook hem uit mijn leven.
Misschien is dat waarom dit verdriet uit zoveel verschillende lagen bestaat.
En ergens zit nog steeds een heel klein sprankje hoop. Daar wil ik eerlijk over zijn. Niet een hoop waarop ik mijn leven wil baseren of waarvoor ik stil blijf staan. Ik kan niet wachten op een toekomst die misschien nooit komt. Maar ergens diep vanbinnen bestaat nog steeds de gedachte dat onze verbinding misschien niet verkeerd was, maar onze timing wel. Dat onze paden ooit nog eens zouden kunnen kruisen.
Misschien gebeurt dat nooit.
Misschien wel.
Ik kan mijn leven niet rond die mogelijkheid bouwen en dat wil ik ook niet. Maar ik hoef dat kleine stukje hoop blijkbaar ook niet gewelddadig uit mezelf te trekken om verder te mogen.
Mijn leven gaat verder. Ik ga verder. Rationeel begrijp ik inmiddels steeds beter wat ik moet doen. Ik weet dat ik niet iedere gedachte hoef te volgen. Ik weet dat ik mezelf soms moet afleiden. Ik weet dat ik niet iedere avond oude gesprekken moet teruglezen omdat ik hem dan voor een paar minuten weer dichtbij kan voelen. Ik weet dat herinneringen bewaren iets anders is dan erin blijven wonen. Ik weet dat ik geen toekomst kan bouwen op de mogelijkheid dat onze paden ooit opnieuw kruisen. Ik weet dat iemand een plek in je hart kan houden terwijl jij ondertussen verder leeft.
Mijn hoofd begrijpt dat inmiddels allemaal.
Mijn hart is alleen nog niet zover.
Mijn hart huilt nog steeds om iemand die er wel is, maar niet meer bij mij. Om een mens van wie ik niet alleen een relatievorm mis, maar zijn hele aanwezigheid. Om alle woorden die ik niet meer zomaar kan sturen. Om de dingen die ik nog zou willen vertellen. Om de vanzelfsprekendheid die er niet meer is. Om het feit dat ik soms mijn eigen handen bijna moet tegenhouden om niet opnieuw een gesprek terug te lezen of een foto te openen, terwijl een ander deel van mij juist bang is dat níét kijken langzaam hetzelfde wordt als afscheid nemen.
En misschien is dát wel waar ik nu werkelijk sta.
Niet bij loslaten.
Nog niet bij vrede.
Maar ergens daartussenin.
Met het rationele besef dat mijn leven verder moet en ook verder gáát, en een hart dat daar nog regelmatig hevig tegen protesteert. Een hart dat nog verdriet heeft. Dat nog mist. Dat soms nog hoopt. Dat nog huilt.
Misschien komt er ooit een moment waarop ik aan hem kan denken zonder dat ik mezelf daarna bijeen hoef te rapen. Waarop ik onze foto's kan zien en vooral dankbaarheid voel in plaats van die steek van gemis. Waarop een herinnering gewoon naast mijn huidige leven mag bestaan.
Daar ben ik nog niet.
Voor nu probeer ik vooral te leren dat ik hem niet hoef te wissen om verder te gaan.
Dat ik mag bewaren wat mooi was.
Dat ik mag huilen om wat er niet meer is.
Dat ik hem mag missen zonder mezelf daarvoor steeds terug te fluiten.
En dat een plek geven soms simpelweg betekent dat je hoofd al weet wat je hart nog heel langzaam moet leren.