Ik merk dat ik de laatste tijd verander. Niet omdat ik een ander mens word, maar omdat ik steeds minder behoefte voel om te voldoen aan de maatstaven van anderen. Ik ben altijd een zelfverzekerd persoon geweest, maar ik had wel de neiging om verantwoording af te leggen over de keuzes die ik maakte. Niet omdat ik zelf aan die keuzes twijfelde, maar omdat ik wilde dat mensen begrepen waarom ik deed wat ik deed.
Lange tijd dacht ik dat onbegrip vooral een gebrek aan informatie was. Als ik de situatie maar goed genoeg uitlegde, voldoende context gaf en mijn beweegredenen helder maakte, dan zou de ander vanzelf begrijpen hoe ik tot mijn keuzes kwam. Inmiddels weet ik dat dat vaak helemaal niet zo werkt. Mensen luisteren lang niet altijd om hun beeld bij te stellen. Ze luisteren vanuit hun eigen referentiekader en passen wat jij vertelt in hun eigen overtuigingen, ervaringen en normen.
In de psychologie wordt dat assimilatie genoemd: nieuwe informatie wordt niet werkelijk gebruikt om het bestaande beeld te veranderen, maar wordt ingepast in wat iemand al dacht. Wie zelf conflicten vermijdt, kan strijdbaarheid daardoor al snel als conflictgerichtheid zien. Wie rust boven rechtvaardigheid stelt, kan grenzen bewaken ervaren als hardheid. Wie zelf zou bezwijken onder een bepaalde hoeveelheid problemen, kan veel draagkracht verwarren met instabiliteit.
Daar komt de fundamentele attributiefout nog bij. Mensen hebben de neiging het gedrag van anderen te verklaren vanuit hun karakter, terwijl zij hun eigen gedrag eerder verklaren vanuit omstandigheden. Wanneer iemand zelf fel reageert, was dat volgens diegene nodig vanwege de situatie. Wanneer ik fel reageer, wordt het ineens een persoonlijkheidstrek: ik zou te veel strijd zoeken. Terwijl de werkelijkheid soms veel eenvoudiger is. Ik zoek geen ruzie, ik laat mij niet over mijn grenzen heen duwen. Ik zoek geen rumoer, ik weiger toe te geven wanneer iets onrechtvaardig is. Ik ben niet instabiel, ik draag veel.
Strijd zoeken is iets anders dan strijdbaar zijn
De druppel kwam voor mij tijdens een etentje met een vriendin. Zij zei dat zij het heel erg vond dat er zoveel op mijn bordje lag. Daarna vertelde ze mij dat ik ook keuzes had in welke strijd ik aanging. Op zichzelf is dat geen onware uitspraak. Mensen hebben keuzes. Maar zo’n uitspraak wordt wel erg oppervlakkig wanneer er geen onderscheid wordt gemaakt tussen ruzie zoeken, rumoerigheid zoeken of instabiel zijn enerzijds, en sterk zijn, opkomen voor rechtvaardigheid, jezelf verdedigen en weigeren je te laten naaien anderzijds.
Niet iedere strijd wordt gekozen omdat iemand behoefte heeft aan conflict. Soms is conflict de prijs die je betaalt voor trouw blijven aan je waarden. Binnen de Acceptance and Commitment Therapy wordt dat waarden-gedreven gedrag genoemd. Je handelt dan niet omdat je spanning wilt, maar omdat integriteit, rechtvaardigheid, loyaliteit of zelfrespect zwaarder wegen dan gemak.
Dat is voor mij een essentieel verschil. Ik kies niet voor de omstandigheden die op mijn pad komen. Ik kies wel hoe ik daarop reageer. Ik kan wegkijken, slikken, toegeven of mezelf aanpassen om de rust te bewaren. Ik kan ook besluiten dat rust niet altijd belangrijker is dan waarheid, zelfrespect of bescherming van iemand die kwetsbaar is. Dat laatste is geen instabiliteit. Dat is strijdbaarheid.
De mensen die mij al lang kennen, zien dat verschil. Zij zien iemand met een groot rechtvaardigheidsgevoel, een grote draagkracht en een sterk verantwoordelijkheidsbesef. Zij zien ook dat ik op dit moment minder goed in mijn vel kan zitten omdat mij veel overkomt. Dat is iets anders dan instabiel zijn. Een zware periode zegt iets over de zwaarte van de omstandigheden, niet automatisch iets over de stevigheid van de persoon die erin staat.
Mensen die minder nieuwsgierig zijn, zien vaak alleen de hoeveelheid situaties in mijn leven en maken daar vervolgens een karakteranalyse van. Dan wordt draagkracht vertaald als onrust. Strijdbaarheid als conflictgerichtheid. Grenzen stellen als hardheid. Niet willen buigen als niet kunnen loslaten. Maar dat zegt vaak net zoveel over hun blik als over mijn gedrag.
Ik heb geprobeerd mijn visie aan deze vriendin uit te leggen. Niet om mezelf te verdedigen, maar om duidelijk te maken dat haar interpretatie niet aansloot bij hoe ik in elkaar zit. Zij wilde mijn uitleg niet eens lezen. Daarna heb ik niets meer van haar gehoord. In haar bericht wenste zij mij wel een stabiel leven toe.
Daaruit bleek voor mij vooral hoezeer zij mij onderschatte.
Want als er iemand stabiel is, ben ik het. Niet omdat ik nergens last van heb, niet omdat alles mij gemakkelijk afgaat en niet omdat ik nooit wankel. Maar omdat ik ondanks alles wat ik draag, blijf functioneren, blijven nadenken, blijven handelen en verantwoordelijkheid blijf nemen. Veel op je bord hebben is niet hetzelfde als weinig aankunnen. Soms is het juist andersom: pas wanneer iemand veel draagt, wordt zichtbaar hoeveel draagkracht er werkelijk aanwezig is.
Oprechte betrokkenheid of een hulpverlenersrol
Wat mij daarnaast steeds duidelijker wordt, is het verschil tussen oprechte betrokkenheid en de behoefte om een hulpverlenersrol aan te nemen. Als iemand zegt zo met mij te doen te hebben vanwege de situatie waarin ik mij bevind, mij vervolgens vertelt dat ik daar andere keuzes in zou moeten maken en daarna, wanneer de uitkomst eenmaal bekend is, niet eens meer vraagt hoe het is gegaan of hoe het is afgelopen, dan vraag ik mij af waar die betrokkenheid werkelijk over ging.
Was je echt begaan met hoe het met mij ging? Of wilde je vooral de rol van adviseur vervullen en je mening ventileren?
Oprechte betrokkenheid houdt niet op nadat iemand advies heeft gegeven. Wie werkelijk meeleeft, blijft nieuwsgierig. Die vraagt later nog eens hoe het is afgelopen. Die wil weten wat de uitkomst was. Die vraagt hoe het nu met je gaat. Niet uit controle, maar omdat de mens belangrijker is dan de eigen visie op diens keuzes.
Wanneer die nieuwsgierigheid ontbreekt, voelt eerdere bezorgdheid voor mij niet meer als echte betrokkenheid, maar als een moment waarop iemand zichzelf in de positie van helper, beoordelaar of raadgever plaatste. In de psychologie zou je dat kunnen zien als een asymmetrische relatiepositie: de een neemt de rol van degene die overziet, duidt en adviseert, terwijl de ander vooral het object van die duiding wordt. Maar een vriendschap is geen behandelkamer. Ik zoek geen mensen die mijn leven analyseren vanaf een veilige afstand. Ik zoek mensen die werkelijk geïnteresseerd zijn in wie ik ben en hoe het met mij gaat.
Vroeger zou zoiets mij veel meer hebben geraakt. Ik zou hebben geprobeerd mezelf opnieuw uit te leggen, andere woorden gezocht, nog meer context gegeven en uiteindelijk waarschijnlijk zelf weer contact hebben opgenomen om de relatie te normaliseren. Daarmee nam ik niet alleen verantwoordelijkheid voor mijn eigen gedrag, maar ook voor het begrip van de ander en voor het herstel van de verbinding.
Inmiddels doe ik dat niet meer.
Van uitlegdrang naar innerlijke regie
Wat er psychologisch in mij veranderd is, heeft veel te maken met locus of control. Vroeger richtte ik veel energie op iets waar ik uiteindelijk weinig invloed op had: de interpretatie van een ander. Nu ligt mijn aandacht veel meer bij mijn interne locus of control. Ik kan bepalen hoe zorgvuldig ik handel, hoe eerlijk ik communiceer en of mijn keuzes passen bij mijn waarden. Ik kan niet bepalen of iemand bereid is mij werkelijk te begrijpen.
Dat inzicht heeft mijn uitlegdrang sterk verminderd. Niet uit onverschilligheid, maar uit helderheid. Ik hoef mensen niet meer te overtuigen van wie ik ben wanneer hun gedrag al laat zien dat zij niet werkelijk nieuwsgierig zijn. Ik hoef een relatie niet te repareren wanneer de ander geen moeite doet om mij te begrijpen. Ik hoef niet opnieuw contact te zoeken om de sfeer te herstellen wanneer iemand eerst een oordeel vormt, mijn uitleg weigert en daarna geen belangstelling meer toont voor de afloop.
Dat soort situaties raakt mij daarom niet meer zoals vroeger. Ze geven mij informatie. Ze laten mij zien wie wel en niet bij mij past.
Dat is geen afwijzing vanuit boosheid. Het is relationele selectie. Ik verwacht niet dat iedereen het met mij eens is. Ik verwacht ook niet dat iedereen mijn keuzes begrijpt. Maar van mensen die dichtbij mij staan, verwacht ik wel nieuwsgierigheid, wederkerigheid en de bereidheid om hun eerste oordeel bij te stellen.
Ik ben niet harder geworden. Ik ben selectiever geworden.
Ik hoef mezelf niet meer kleiner te maken zodat mijn leven beter past binnen het referentiekader van iemand anders. Ik hoef niet eindeloos verantwoording af te leggen over keuzes die ik bewust en met reden maak. Mensen mogen hun mening hebben, maar hun mening bepaalt niet langer hoeveel energie ik steek in het behouden van de verbinding.
Misschien is dat wel de grootste verandering die ik in mezelf zie. Ik ben gestopt met proberen door iedereen begrepen te worden.
Sommige mensen willen je werkelijk leren kennen. Andere mensen willen vooral iets van je vinden.
En tegenwoordig geeft dat verschil mij geen pijn meer, maar richting.