De laatste tijd overvalt het me steeds vaker. Niet tijdens de gebeurtenissen zelf, maar erna. Na een gesprek met mijn psycholoog, als het over werk gaat, of nadat ik contact heb gehad met iemand die iets in mij raakt. Op dat moment functioneer ik prima; ik praat, denk, reageer... maar zodra de rust terugkeert, begint mijn lijf te gonzen. Er komt een kriebel die ik niet kan plaatsen, een brok in mijn keel die weigert te zakken, en een spanning onder mijn huid die niet verdwijnt.
Het vreemde is: mijn hoofd blijft stil. Geen gedachten, geen verklaringen. Alleen een lichaam dat iets probeert te zeggen wat mijn verstand niet kan vertalen. Vroeger had ik dit niet. Ik was altijd de sterke, de regelaar, degene met overzicht. Ik wist wat er moest gebeuren en zorgde dát het gebeurde. Maar nu lijkt dat vermogen me in de steek te laten. Alsof mijn brein en lichaam niet meer samenwerken. Mijn hoofd zoekt verklaringen, mijn lijf zoekt rust, en ik zit ertussenin.
Ik ben gaan begrijpen dat dit een lichaam is dat te lang heeft meegedraaid in standje overleving. Jarenlang heb ik geanticipeerd, gereageerd, gereguleerd. Altijd alert geweest op wat anderen nodig hadden, terwijl ik ondertussen alles probeerde te managen: werk, emoties, relaties, verwachtingen. Totdat er geen marge meer overbleef. En nu reageert mijn systeem alsof elk signaal te veel is. Een gesprek, een appje, een blik. Het gaat me in het moment vanzelfspreken goed af maar alles wat iets raakt, hoe klein ook, zet erna iets in beweging dat ik niet meer stil krijg.
Het voelt niet als paniek, maar als iets dat stilvalt vanbinnen. Een vreemde mengeling van spanning en leegte. Soms komen er tranen, zomaar, zonder aanleiding. Ze rollen over mijn wangen, maar brengen geen echte ontlading, geen rust. Alsof mijn lichaam wél huilt, maar mijn geest nog niet kan volgen. Alles beweegt, maar dan vertraagd. Ik adem, maar het voelt niet als leven. Alsof ik er ben, maar niet helemaal aanwezig.
Aan de buitenkant lijkt het alsof ik gewoon even stil ben voor mijn doen. Alsof ik rust pak. Maar vanbinnen voelt het alsof mijn systeem is vastgelopen. Alsof er honderd signalen tegelijk binnenkomen, zonder uitgang. Die verlamming is genadeloos stil. Geen woede, geen paniek, geen daadkracht. Alleen een verkrampt lijf dat niet meer weet wat veilig is. Het is niet dat ik niet wíl bewegen; ik kán het niet. En dat is iets wat mensen zelden bij mij zien. Ze zien rust, maar het is geen rust. Het is overleven in stilte.
Ik weet heus dat verlamming geen falen is, hoe machteloos het ook voelt. Het is de uiterste poging van een lichaam dat zegt: ik moet even niet meer voelen, anders breek ik. Als vechten of vluchten geen optie meer is, schakelt het systeem over naar bevriezen. Niet als keuze, maar als instinct. En dat voelt vreemd voor iemand die van nature altijd een vechter is geweest.
Ik herinner me nog goed die keer dat ik slachtoffer werd van een gewapende overval. Achteraf omschreef ik het alsof ik in een film speelde. Alles gebeurde, maar ik voelde niets. Geen paniek, geen angst. Alleen scherpte. Terwijl de overvaller voor me stond, keek ik, registreerde ik, onthield elk detail. Toen hij me liet gaan omdat hij zag dat mijn collega de sealbag met geld had, belde ik direct 112. Ik vluchtte niet, ik observeerde. Ik deed wat nodig was, koel en rationeel, alsof ik toekeek in plaats van meemaakte.
Bevriezen... Ik herken het niet in mezelf. Van binnen lijkt het leeg, maar in werkelijkheid is het overvol. Je zenuwstelsel trekt alles naar binnen om te beschermen wat nog overeind staat. Je hoofd lijkt uitgeschakeld, maar in feite is het aan het recalibreren, een soort tijdelijke spaarstand om te overleven. Het voelt als stilstand, maar het is kennelijk een vorm van herstel.
Misschien is dat ook waarom ik de laatste tijd veel strijd ben gaan loslaten. Ik heb lang gedacht dat ik alles zelf moest dragen. Dat loslaten gelijk stond aan falen. Maar ik begin te merken dat het precies het tegenovergestelde is.
Rust vind ik niet in groots gebaar, maar in de kleinste dingen. In het overlaten van taken aan mensen die ik vertrouw. Kleine dingen, bij mensen van wie ik weet dat het goed zit. Zoals gesprekken met mijn werkgever laten voeren door iemand die mij goed kent en weet hoe hij mij kan vertegenwoordigen. Of professionele verhuizers inschakelen, ook al kost dat geld. Simpelweg omdat mijn gemoedsrust het waard is. Een vakman vragen die ik persoonlijk ken, om de klussen in mijn nieuwe huis op te pakken ook al is hij iets duurder. Ik weet dat hij kwaliteit levert en ik niet over zijn schouder hoef mee te kijken. Keuzes die ervoor zorgen dat ik niet alles meer hoef te overzien, niet meer alles hoef te controleren. Ruimte creëren voor de battles die ik wél moet of wil aangaan, en rust creëren voor mijn herstel.
Loslaten is mijn nieuwe toverwoord. En het gaat niet vanzelf; ik vind het doodeng om dingen uit handen te geven. Maar stapje voor stapje oefen ik ermee, binnen vertrouwde kring. Om weer te leren vertrouwen. Niet omdat ik zwak ben, maar omdat ik eindelijk begin te begrijpen dat ik mezelf niet steeds hoef te redden. Soms is loslaten de meest volwassen vorm van kracht die er is.
De brok in mijn keel is er nog vaak. De spanning komt en gaat, maar meestal blijft ze ergens op de achtergrond aanwezig, als een herinnering dat mijn lichaam nog niet helemaal gelooft dat het veilig is. Soms lukt het om even te ontspannen, en soms is er weer dat bekende trekken in mijn keel, die kriebel onder mijn huid, dat moeizaam ademen. Ik ben er nog niet. Ik leer pas net hoe het is om niet meer alles te willen begrijpen of beheersen. Hoe het is om te zeggen: ik weet het even niet, en dat is oké. Soms voelt dat als vrijheid, soms als falen. Maar misschien is dat precies wat groei is; niet de afwezigheid van spanning, maar het leren leven mét spanning, zonder het weg te drukken.
Heling is voor mij geen eindpunt, maar een proces dat zich langzaam ontvouwt. Ik ben nog onderweg. En misschien is dat voorlopig genoeg.
