Je was voor mij alles tegelijk.
Mijn beste maatje.
De plek waar lachen moeiteloos ontstond en stilte nooit zwaar werd. Waar woorden niet gezocht hoefden te worden, omdat ze vanzelf hun weg vonden tussen ons.
Mijn meest geliefde bedpartner, maar ook veel meer dan dat.
Niet alleen een lichaam naast het mijne, maar een aanwezigheid waarin ik kon verdwijnen zonder mezelf kwijt te raken. Warm. Vertrouwd. Alsof mijn hele zijn even wist waar ze thuishoorde.
Bij jou werd de wereld zachter.
De ruis in mijn hoofd viel stil wanneer jij er was. Alsof alles wat altijd door elkaar raasde in mij plotseling tot rust kwam, simpelweg omdat jij me aankeek.
Bij jou voelde ik een veiligheid die ik niet kende.
Niet het soort veiligheid dat je in je hoofd bedenkt, maar het soort dat je lichaam herkent. Alsof een deel van mij fluisterde: hier mag je zijn, precies zoals je bent.
Jij was degene bij wie mijn hart lichter werd.
En degene die ik gelukkig wilde maken, zonder dat dat ooit als een offer voelde. Het ging vanzelf, zoals ademhalen vanzelf gaat.
Wat er tussen ons was laat zich niet vangen in taal.
Het was geen naam, geen vorm, geen verhaal dat netjes in een hokje past. Het was een stille stroom tussen twee mensen die elkaar ergens herkenden.
En misschien is dat waarom het gemis zo diep zit.
Omdat deze verbinding niet verdwijnt wanneer de afstand groeit. Ze verandert alleen van plaats.
Je bent er niet meer zoals eerst.
Maar ergens draag ik je nog steeds mee.
In de rust die je me gaf.
In de blik waarin ik mezelf terugzag.
In de herinnering aan een gevoel dat ik nooit eerder kende.
Het maakte me nooit uit welke vorm jij in mijn leven zou hebben gehad.
Een paar woorden op afstand.
Een vriendschap die bleef bestaan.
Of een pad dat we samen verder waren gelopen.
Jij hoefde nooit alles te zijn wat ik wenste.
Alleen iemand die mij liet voelen
hoe zeldzaam het is
wanneer twee mensen elkaar werkelijk raken.
Je had nooit mogen verdwijnen.
Ik hou van je.
Ik mis je.