Het innerlijke kind leeft in ons allemaal, ook al doen we nog zo hard ons best om volwassen en rationeel te zijn. Dat kleine meisje of jongetje in ons reageert vaak veel sneller dan we zelf doorhebben. Het zijn de momenten waarop een blik, een stilte of een klein gebaar ineens veel groter voelt dan het zou moeten zijn. Dan is het niet de volwassene van nu die reageert, maar het kind dat ooit geleerd heeft hoe onveiligheid voelt.
Wanneer een kind niet de basis van veiligheid en voorspelbaarheid krijgt, ontwikkelt zich vaak een onveilige hechtingsstijl. Dat kan zich uiten in angstig vasthouden aan de ander, of juist in afstand nemen zodra het te dichtbij komt. Soms ontstaat er een patroon van grenzen testen: kijken of de ander blijft als je jezelf van je lastigste kant laat zien. Zo’n hechtingspatroon ontstaat in de kindertijd, maar kleurt onbewust al onze relaties later.

Ik zie dat terug bij mijn goede vriend, die opgroeide met een narcistische ouder en veel fysieke onveiligheid. Hij stond op jonge leeftijd al op eigen benen en leerde vroeg: ik kan niemand echt vertrouwen. Nu test hij voortdurend grenzen in relaties, alsof hij wil weten: blijf je ook als ik lastig word, als ik uitdaag, als ik mijn scherpste randjes laat zien? Het is zijn manier om te toetsen of hij deze keer niet verlaten wordt. Maar precies daardoor roept hij soms juist de afwijzing op die hij zo vreest. Andersom heb ik een vriendin met een narcistische ouder die vooral kritisch was. Daardoor heeft zij de neiging om zichzelf klein te maken en teveel voor anderen te zorgen (gelukkig heeft ze hierin wel grenzen leren stellen), terwijl ze het eigenlijk verdient om gezien en gewaardeerd te worden voor alles dat ze doet.
In mezelf herken ik een andere beweging. Thuis was er vaak onveiligheid en ruzie, en ik sprong ertussen om de boel te sussen, terwijl dat helemaal niet mijn taak was. Zo leerde ik al jong dat verantwoordelijkheid nemen mij een gevoel van controle gaf – een patroon dat nu nog steeds doorwerkt in mijn relaties. Ik blijf soms te veel geven, zelfs als ik er zelf leeg van raak. Het is mijn manier om de verbinding veilig te houden, alsof zorgen en dragen mij grip geven op de ander.
Dat alles werd opnieuw geraakt toen ik mijn spiegel leerde kennen, een jaar geleden. Alsof het oude patroon van zorgen, dragen en alles willen geven ineens in volle kracht terugkwam – juist omdat de verbinding zo intens voelde. Ook hij is gevormd in zijn jeugd, maar op een andere manier die toch dezelfde bron raakt. Hij was een kind met, net als ik, ADHD maar hij belandde daardoor al snel in het bijzonder onderwijs, terwijl hij met wat lichte ondersteuning zichzelf prima had kunnen redden. Zijn intelligentie dekt veel van zijn valkuilen af, maar de omgeving zag vooral zijn onrust in plaats van zijn potentieel. Zijn innerlijke kind heeft zich daardoor nooit echt gezien gevoeld. Ik zie nu hoe hij een grote verantwoordelijkheid richting zijn kinderen draagt, alsof hij hen wil geven wat hij zelf miste. Tegelijkertijd herken ik vermijdend gedrag: zodra het te dichtbij komt of te kwetsbaar wordt, sluit hij zich af. Daaronder ligt een voortdurende zoektocht naar erkenning. Steeds opnieuw voor zichzelf willen bewijzen dat hij wél gezien wordt. Ook bij hem speelt controle een grote rol: waar ik probeer vast te houden door te geven, bewaakt hij de regie door afstand te nemen en zelf te bepalen wanneer hij zich opent.
En precies daar ontstond onze wisselwerking. Mijn angst om verlaten te worden raakte aan zijn neiging om afstand te nemen. Waar ik meer wilde geven en dichterbij wilde komen, voelde hij de drang om ruimte te nemen en zichzelf te beschermen. Terwijl ik bevestiging zocht dat ik er mocht zijn, leek hij diezelfde bevestiging te zoeken in prestaties of erkenning van buitenaf. Het was alsof onze innerlijke kinderen elkaar spiegelen: mijn kind riep “laat me niet los”, terwijl het zijne fluisterde “zie me eindelijk voor wie ik ben".
Misschien was dat de reden dat onze band zo diep voelde, juist in een setting die daar in eerste instantie niet voor bedoeld was. Voor mij was het vanzelfsprekend om het met hem aan te gaan, omdat ik die verbinding als zo zuiver en waardevol ervoer. Maar, daar waar hij vluchtte om gezien te worden, moest hij toch ook erkennen dat ik hem zag, al koos hij ervoor daarvan weg te lopen. Het was nog niet zijn moment.
Als ik terugkijk naar mijn vrienden, mijn spiegel en mezelf, zie ik vier verschillende verhalen die toch uit dezelfde bron komen. Hij die grenzen test omdat hij nooit mocht vertrouwen, zij die terugtrekt om een ander niet tot last te zijn. Mijn spiegel die afstand houdt omdat dichtbij komen te kwetsbaar voelt. En ikzelf die blijf geven om de verbinding vast te houden. Vier manieren om grip te zoeken in de leegte die ooit is ontstaan.
Misschien is dat ook de weg die voor ons allemaal geldt: niet langer proberen controle te houden over anderen, maar onze eigen patronen doorzien en stukje bij beetje leren loslaten. We doorlopen dit pad allemaal op onze eigen manier en in ons eigen tempo. Want uiteindelijk zoeken we hetzelfde; veiligheid, erkenning en echte verbinding. En als je jezelf daarin opnieuw hervindt, kun je elkaar misschien ooit ook beter vinden.
