Toen ik mijn spiegel ontmoette, voelde het alsof ik eindelijk iemand tegenkwam die mijn persoon was. Niet in de romantische filmzin, maar in die diepere herkenning van: jij hoort bij mijn leven. Of dat nu een vriendschap of een relatie zou worden, het maakte me niet uit. Zijn aanwezigheid was alles. Het voelde vertrouwd, alsof ik hem al jaren kende en hij gewoon even in mijn leven kwam wandelen.
Toch bracht zijn komst niet alleen warmte, maar ook verlies. Een soort sterven van een droom, van een verbinding, van een toekomst die ik in mijn hoofd en hart al had vormgegeven. Dat is rouw. Het afscheid nemen van wat je zo graag wilde en wat je niet kunt vasthouden.
In het begin hield ik me vast aan elke blik, elk woord. Ik vertelde mezelf dat het wél kon, dat zijn terughoudendheid tijdelijk was, dat het misschien ingewikkeld leek maar uiteindelijk goed zou komen. Ik wilde niet zien wat er feitelijk voor me lag. Ontkenning gaf me lucht, maar hield me ook gevangen. Toen de realiteit harder binnenkwam, werd ik boos. Op hem, op mezelf, op de omstandigheden. Boos omdat ik voelde dat er meer was, maar dat hij ervoor wegkeek. Boos omdat ik zoveel gaf en zo weinig terug kreeg. Boos omdat ik me afgewezen voelde terwijl mijn intuïtie zei dat het niet alleen in mijn hoofd zat. Ik probeerde te zoeken naar compromissen. Misschien als ik minder verwachtte. Misschien als ik genoegen nam met half contact. Misschien als ik mijn gevoelens onderdrukte en alleen vriendschap bood. Ik probeerde te onderhandelen met mezelf en met het universum, in de hoop dat er toch nog ruimte zou ontstaan.
Maar toen hij daadwerkelijk een stap achteruit deed, brak het verdriet pas écht open. Het verdriet is misschien nog wel de meest heftige fase van allemaal. Want juist in het jaar waarin alles leek te breken, was hij er. Tijdens mijn buitenbaarmoederlijke zwangerschap, die me niet alleen fysiek maar ook emotioneel onderuit haalde. Terwijl mijn moeder steeds verder achteruitging en ik machteloos moest toekijken. Toen ik van de trap viel en mijn lichaam liet zien hoe kwetsbaar ik eigenlijk was. Terwijl mijn werk niet liep zoals ik wilde, ik mijn weg kwijtraakte en de grond onder mijn voeten voelde wegzakken. En toen vriendschappen precies op dat moment uit mijn leven wegvielen, terwijl ik ze misschien wel het hardst nodig had.
In al die duisternis was hij mijn lichtpunt. Maar niet alleen omdat hij er simpelweg wás. Het was ook echt híj zelf. Hij bracht rust met wie hij was en met hoe goed hij me aanvoelde. Hij gaf mij iets om voor op te staan, iets om naar uit te kijken. Zijn manier van aanwezig zijn maakte dat ik even kon ademen, dat ik me gezien en begrepen voelde in een tijd waarin ik vaak alleen en overbelast was. Daarom is het verdriet nu zo ontzettend intens. Soms denk ik: had ik hem maar ontmoet in betere tijden. Misschien was hij er dan nog. Het is niet alleen het gemis van een aanwezigheid, maar het gemis van hém. Van de verbinding die hij bracht, van de zachtheid en veiligheid die ik voelde wanneer hij dichtbij was.
Dat verdriet stopt ook niet bij een datum of bij een gesprek. Het blijft doorwerken, tot de dag van vandaag. Het is de leegte die op onverwachte momenten weer oplaait, de tranen die nog dagelijks ineens opkomen als een herinnering zich aandient, de pijn van weten dat degene die zo’n belangrijk anker was, niet meer naast je staat. Het is een verdriet dat niet eenvoudig uit te spreken of weg te relativeren is. Het is de wond die me elke dag herinnert aan wat er was en aan wat er misschien nooit zal zijn.
Nu zou ik bij de laatste stap van rouwen moeten zijn: acceptatie. Het klinkt eenvoudig, bijna zakelijk. Accepteren dat iets is zoals het is. Maar in werkelijkheid voelt het als de moeilijkste stap van allemaal. Want hoe accepteer je dat je persoon er wel was, en alles betekende, maar hij niet is gebleven? Hoe leg je je neer bij het verlies van degene die jouw reddingsboei was in de zwaarste periode van je leven? Hoe laat je een band los met iemand die het beste voelt van iedereen?
Voor mij voelt acceptatie niet als een oplossing, maar als een langzaam moeten leren leven met een litteken dat letterlijk altijd zichtbaar blijft. Het voelt niet kloppend. Alsof als ik mezelf wijsmaak dat ik het kan loslaten, het wel goed komt. Mijn hart houdt nog steeds vast en ik denk niet dat dat ooit verdwijnt. Loslaten en accepteren voelt alsof ik iets dat zo wezenlijk was, moet wegdrukken om verder te kunnen. Maar wegdrukken is geen helen. Het maakt de leegte alleen stiller aan de oppervlakte, terwijl ik me van binnen verscheurd voel en wil gillen.
Ik kan dat gewoon niet... ik leef vanuit mijn hart. Mijn verstand kan dit niet vanwege mijn hart. Mijn gevoel blijft bij hem, bij wat hij bracht, bij de rust en de herkenning die ik nergens anders vond. Ik weet niet hoe dat moet. Ik weet niet hoe ik verder moet, niet hoe ik dit een plek geef, niet hoe ik leef met het gemis van iemand die zo diep verweven is geraakt met mijn bestaan. Voor nu is er geen uitweg, geen antwoord, alleen de rauwe waarheid: ik weet het gewoon niet en dat voelt kut. En dat is nogal zacht uitgedrukt.