Doe mij maar januari

Doe mij maar januari

Dit is geen gewone december voor mij. Dit is een december die mijn lichaam zich herinnert, nog vóórdat mijn hoofd het kan ordenen. Dagen die niet zomaar voorbijgaan, maar terugkomen met gewicht en met lading. En precies daarom voelt deze tijd zo leeg, zo koud, terwijl alles om me heen juist warmte en gezelligheid lijkt uit te ademen.

Het is 18 december 2025. En hoewel ik hier sta, nu, leef ik ook nog steeds in december van vorig jaar. Mijn lijf weet dat. Mijn zenuwstelsel weet dat. Mijn hart loopt soms achter of vooruit, maar zelden precies in het heden. Vorig jaar, in de nacht van 20 op 21 december, was er intimiteit. Niet alleen lichamelijk, maar diep menselijk. Ik voelde me gezien, gedragen, verbonden. Hij was er. Mijn spiegel. En die nacht schreef zich niet alleen in mijn geheugen, maar in mijn hele systeem. Het werd een referentiepunt. Zo voelt veiligheid. Zo voelt samenzijn.

Maar amper een dag later, van 21 op 22 december, stortte alles in. Mijn lichaam confronteerde me keihard met mijn kwetsbaarheid. Ik had een buitenbaarmoederlijke zwangerschap en kwam letterlijk op het randje van leven en dood te staan. Dat moment heeft mijn lichaam nooit vergeten. Overleven was geen keuze, het was een automatische stand waar ik in werd gegooid. Wat veel mensen niet weten – en wat ik zelf pas later begon te begrijpen – is hoe allesomvattend zo’n zwangerschap is, ook als die vroeg eindigt. Vanaf het moment dat er nieuw leven ontstaat, verandert je hele hormonale huishouding. Hormonen die je niet alleen voorbereiden op dragen, maar vooral op hechten. Op verbinden. Op nabijheid. Mijn brein werd letterlijk afgestemd op samenzijn, op veiligheid bij een ander. En die ander was hij. En hij bleef. Hij bezocht me in het ziekenhuis. Hij liet me niet vallen. Terwijl ik doodsbang was hem kwijt te raken door alles wat er gebeurde, door de stress, door zijn eigen leven, bleef hij er. Dat deed iets onomkeerbaars met me. Op het moment dat ik het meest gebroken was, werd ik niet verlaten. Dat is geen klein detail. Dat is iets wat diep in je zenuwstelsel wordt opgeslagen.

De weken daarna lag ik vooral in bed. Fysiek uitgeput. Emotioneel leeg. Hormonale afgrond. En in die periode gebeurde er nog iets pijnlijk helders: ik ontdekte wie mijn echte vrienden waren. Of beter gezegd: wie het niet waren. Mensen verdwenen. Stilte viel op plekken waar ik steun verwachtte. Dat soort eenzaamheid is verraderlijk. Het is geen lawaai, geen ruzie, geen drama. Het is het ontbreken van aanwezigheid. En tegelijkertijd voelde ik me zó verbonden met hem. Hij was mijn lichtpuntje. Hij stuurde foto’s. Lieve berichtjes. We berichtten elkaar ’s nachts als we elkaar niet konden zien. Hij haalde me thuis op na mijn ontslag uit het ziekenhuis. We pakten samen cadeautjes uit die eigenlijk bedoeld waren voor een dagje samen weg. Dat dagje kwam er niet. Maar het moment bleef. Het symboliseerde alles wat er ook niet kwam, en toch even bestond. Ik leefde mee met zijn feestdagen via de foto’s die hij stuurde. Ik zag hoe warm hij was. Hoe lief. Hoe menselijk. En in mijn staat – hormonaal open, emotioneel, fysiek uitgeput – werd hij niet alleen belangrijk. Hij werd regulerend. Mijn systeem leunde op hem. Niet omdat ik zwak was, maar omdat ik in herstel was.

Dit alles gebeurde in december. In donkerte. In feestdagen. In lichtjes en beloftes van samenzijn. Mijn brein heeft die dingen gekoppeld. December werd niet zomaar een maand. Het werd een container voor verbinding, verlies, hoop en veiligheid tegelijk. En nu is het weer december. Mijn relatie is voorbij. Mijn spiegel heeft zich teruggetrokken. Niet met grote woorden, niet met ruzie, maar met afstand. En afstand na zo’n geschiedenis is niet neutraal. Het raakt oude lagen. Het voelt als opnieuw losgelaten worden, zelfs als mijn hoofd weet dat het genuanceerder ligt. Ik kan goed alleen zijn. Dat is het niet. Het is niet de stilte. Het is de sfeer. De collectieve warmte die mij herinnert aan wat er was en er nu niet is. Aan hoe gedragen ik me toen voelde. Aan hoe levend.

Over drie dagen is het precies een jaar geleden dat ik in het ziekenhuis belandde. Mijn lijf weet dat. Trauma houdt geen agenda bij, maar herkent data via sensaties. Onrust. Vermoeidheid. Een zwaarte op mijn borst zonder duidelijke aanleiding. Ik kijk enorm op tegen deze periode, omdat dit het begin was van een fase waarin overleven niet meer werkte. Waarin ik mezelf niet meer overeind kon houden op wilskracht. Vanaf dat moment groeide ik. Maar ik groeide alleen. In stilte. In een diep dal. Groei klinkt mooi, maar groei in eenzaamheid is geen romantisch proces. Het is pijnlijk. Het is moeizaam. Het is doorgaan terwijl niemand ziet hoeveel energie het kost.

Ik begin nu pas weer een beetje op te klimmen. Voorzichtig. Met vallen en opstaan. En juist nu voelt deze tijd zo confronterend. Dagen vol gezelligheid en samenzijn voelen voor mij koud. Niet omdat ik ondankbaar ben. Niet omdat ik niet zie wat ik wél heb. Maar omdat mijn systeem iets anders nodig heeft dan gezelligheid. Ik rouw. Niet alleen om hem. Ik rouw om wie ik was voordat ik zo diep viel. Om de versie van mij die nog onbezorgder kon hechten. Om het vertrouwen in mijn lichaam. Om een toekomstbeeld dat zich vormde in een hormonale, liefdevolle kwetsbaarheid en abrupt werd afgebroken.

Feestdagen vergroten contrast. Ze leggen een vergrootglas op wat ontbreekt. En dat doet pijn, juist als je al zo veel hebt moeten loslaten. Voor mij voelt warmte nu soms als een herinnering in plaats van een realiteit. En dat maakt het leeg. Wat ik inmiddels weet – en wat ik mezelf blijf herhalen – is dat dit logisch is. Mijn reactie klopt. Mijn lichaam is getraumatiseerd én gehecht geweest. Veiligheid en pijn zijn met elkaar verweven geraakt. Dat maakt loslaten geen keuze, maar een proces. Een langzaam ontwarren.

Misschien mag ik erkennen dat groei niet betekent dat het geen pijn meer doet. En dat rouw soms in stilte komt, midden in lichtjes en kerstliedjes. Maar het doet verrekte zeer.

 

Back to blog