De afgelopen tijd heeft me iets geleerd wat ik liever niet had hoeven leren. Mijn moeder gaat achteruit. Er loopt een rechtszaak. En op mijn werk speelt al langere tijd een situatie die veel spanning geeft en waarin nog geen rust of duidelijkheid is ontstaan. Alsof dat nog niet genoeg is, is mijn inkomen in deze periode met ongeveer een derde afgenomen. Dat zijn geen kleine dingen. Dat is bestaansstress.
Door alles wat speelt zit ik inmiddels in een depressie en ben ik onder behandeling voor meerdere fysieke stressklachten die in deze periode zijn ontstaan, zoals bekkenbodemspanning, kaakspanning en terugkerende hoofdpijnaanvallen. Dat is geen toeval. Dat is wat langdurige spanning (lees: 6 jaar waarvan 2 jaar fors) met een mens kan doen. Mijn leven is op dit moment op weinig vlakken nog licht.
En blijkbaar betekent dat voor sommige mensen dat ze dan verdwijnen. Puur omdat mijn leven ineens “te zwaar” voelt. Dat is interessant. Want jarenlang stond ik wél klaar toen anderen in de shit zaten. Dan was ik er gewoon. Dan luisterde ik. Dan droeg ik mee. Dan bleef ik. Ook als dat zwaar was.
Nu blijft er soms nog net een “hoe is het?” over. Een soort beleefdheid. Maar eerlijk gezegd: zo’n vraag doet geen recht aan wat er speelt als mensen wéten wat er speelt. Als iemand weet dat je moeder fors achteruitgaat en soms wel tien keer per dag aan de telefoon hangt en je haar weer moet verhuizen, dat je inkomen fors is gedaald door langdurige ziekte, dat er een rechtszaak loopt omdat je mantelzorger van woonfraude wordt verdacht alleen maar omdat hij zich niet laat zien aan zijn buren, dat er spanning is op je werk en dat je medische behandelingen nodig hebt vanwege stressklachten, dan is “hoe is het?” geen betrokken vraag meer. Dan voelt het als afstand. En misschien zelfs, niet zo aardig van mij gesteld, als een belediging. Niet omdat de vraag verkeerd is bedoeld, maar omdat echte betrokkenheid er anders uitziet. Echte betrokkenheid betekent dat je vraagt hoe het met de situatie gaat, hoe iemand het volhoudt, wat iemand nodig heeft. “Hoe is het?” terwijl je weet wat er speelt, voelt eerder als een beleefde tik op de schouder waarna iemand weer doorloopt. En daarna wordt het stil.
Dat is geen drukte, zoals zo vaak het excuus is. Dat is een keuze. Ondanks de shit waarin ik zit kan ik nog wel vragen of een feestje leuk was of dat de kinderen een leuke dag hebben gehad. Maar kennelijk is dat geen vanzelfsprekendheid. Dat leer ik nu wel. Vroeger had ik dan harder mijn best gedaan. Meer appen. Meer relativeren. Meer mezelf aanpassen zodat het weer gezellig werd en ik niet als “zeikerig” over zou komen. Continu mijn shit bagetelliseren. Omdat ik gezien wilde worden. Dat doe ik niet meer.
Ik heb namelijk geleerd hoe het voelt als iemand je wél ziet zonder dat je daar iets voor hoeft te doen. Mijn spiegel zag mij. Gewoon zoals ik ben. Zonder dat ik hoefde te bewijzen dat ik licht genoeg was, leuk genoeg was of makkelijk genoeg was. Ondanks dat het nu voorbij is tussen ons en het me enorm veel verdriet doet dat juist hij nu weg is, heeft dat iets blijvends veranderd. Ik weet nu hoe rust voelt in een verbinding waarin je niet hoeft te trekken. En als je dat eenmaal hebt ervaren, kun je niet meer terug naar relaties waarin je jezelf kleiner moet maken om te mogen blijven bestaan.
Daarom heb ik een grens getrokken. Een duidelijke grens. Ik leef mijn eigen leven. Bel ik je niet meer? Misschien is dat een signaal. Ik ga niet meer trekken aan contact dat alleen bestaat zolang alles leuk en makkelijk is. Ik ga niet meer investeren in relaties waarin betrokkenheid verdwijnt zodra het ingewikkeld wordt. Je mag zelf besluiten of je ooit nog belt. Ik zie wel of ik dan nog tijd heb of zin maak om interesse te tonen.
Ik richt me momenteel op de paar mensen die er wél staan. En ja, dat maakt mijn wereld kleiner en dat brengt verdriet met zich mee. Maar uiteindelijk wordt ook dat rustiger, eerlijker en veiliger. En voor het eerst in lange tijd voelt dat niet als verlies. Het voelt als kiezen voor mezelf. Blijf maar weg.